Meteen naar de content
AeternumAeternum
Magisch neoplatonisme, aan de poorten van het Ene

Magisch neoplatonisme, aan de poorten van het Ene

Op het kruispunt van filosofie en esoterie ontvouwt zich een fascinerende stroming: het magische neoplatonisme. Stel je even een filosoof uit de late oudheid voor, in een met fakkels verlichte tempel, terwijl hij de goden aanroept met heilige hymnen, of een wijze uit de Renaissance die zich buigt over een talisman, gegraveerd met planetensymbolen onder een gunstige constellatie. In beide gevallen is het uitgangspunt hetzelfde: de hele kosmos is een groot, levend, hiërarchisch en verenigd wezen, waarin elk niveau van de werkelijkheid in sympathie resoneert met de andere. Hoe kunnen we in contact komen met deze hemelse en goddelijke krachten om de ziel te verheffen of de natuur te beïnvloeden? Dat is de vraag waarop het neoplatonisme – de door Plato geïnspireerde filosofie – antwoordde met een praktijk die theürgie wordt genoemd, letterlijk „goddelijke magie”. Uitleg.

1. Neoplatonische filosofie en goddelijke magie

Het neoplatonisme ontstaat in de 3e eeuw na Christus met Plotinus en zijn leerlingen. Het is een filosofische school die voortbouwt op Plato’s erfenis door een universum te beschrijven dat voortkomt uit een onbeschrijfbaar hoogste beginsel (het Ene) en is opgebouwd uit een hiërarchie van wezens, van het meest spirituele tot het meest materiële. Plotinus leert dat de menselijke ziel, verbannen naar de zintuiglijke wereld, naar het Ene kan terugkeren door filosofische zuivering en mystieke contemplatie. Al vroeg rijst echter de vraag: volstaan rede en meditatie, of kan men ook iets verrichten, heilige rituelen uitvoeren, om deze vereniging met het goddelijke te versnellen of te vergemakkelijken? Plotinus zelf staat wantrouwig tegenover magische praktijken, ook al erkent hij het beginsel van een „universele sympathie” die alle dingen in de kosmos met elkaar verbindt. Zijn leerling Porphyrius deelt dit voorbehoud en bekritiseert cultussen die te sterk op materiële aanroepingen zijn gericht.

Het is een andere neoplatonische denker, Iamblichus van Chalkis (ca. 250–330), die een beslissende wending zal inzetten. In zijn werk De Mysteriis (later in het Latijn vertaald onder de titel De theürgie van Iamblichus) verdedigt hij vol vuur de rituele en theürgische dimensie van de filosofie. Theürgie, legt Iamblichus uit, is de kunst om „in te werken op hogere wezens, goden of demonen, om hen ertoe te brengen zich” aan de mensen „ter beschikking te stellen”. Meer dan magie in de gewone betekenis is het een heilige techniek die door gebeden, aanroepingen, offergaven en symbolen de ziel naar de goden verheft en de godheid in staat stelt af te dalen in de tempel of in de ziel van de beoefenaar. Volgens hem moet de menselijke ziel, die te zeer in het materiële verstrikt is geraakt, via deze rituelen opnieuw verbinding maken met de goddelijke wereld: „De geïncarneerde ziel keert slechts naar het goddelijke terug door bepaalde rituelen te volbrengen: theürgie, letterlijk ‘goddelijke arbeid’.” Deze rituele apotheose overstijgt de eenvoudige intellectuele vermogens: theürgie maakt gebruik van goddelijke krachten die de ziel van de ingewijde zuiveren en transformeren.

Binnen de neoplatonische school ontstaat vervolgens een debat tussen aanhangers van een zuiver filosofische en contemplatieve weg en voorstanders van een theürgische weg. Een late getuigenis van Olympiodorus (6e eeuw) vat dit verschil samen: „Velen, zoals Porphyrius en Plotinus, verkiezen de filosofie; anderen, zoals Iamblichus, Syrianus en Proclus, verkiezen de theürgie (de goddelijke magie).” De opvolgers van Iamblichus – met name Proclus in Athene in de 5e eeuw – nemen de theürgie inderdaad volledig op in hun onderwijs. Proclus componeert bijvoorbeeld hymnen voor de planeten en voert rituelen uit om zich af te stemmen op de beschermgoden van elk niveau van de kosmos. Deze filosoof-theürgen zien in rituelen een logische uitbreiding van de metafysica: aangezien alles in het universum uit het Ene voortkomt en mystiek verbonden blijft, is het mogelijk om door middel van geschikte symbolen in sympathie te treden met hogere entiteiten. De laat-neoplatonische geschriften – zoals het eerder genoemde De Mysteriis van Iamblichus of de Chaldeeuwse Orakelen, die zij ijverig becommentariëren – getuigen van een diep geloof in de verborgen krachten van de natuur en de mogelijkheid om ze door rituelen te gebruiken om bovennatuurlijke effecten te veroorzaken. Deze neoplatonische „magie” uit de oudheid onderscheidt zich van kwaadaardige hekserij: het gaat om theoretische en ceremoniële magie, gericht op het welzijn van de ziel en de contemplatie van de goden, die Iamblichus hiëratisch of theürgisch noemt.

Met de opkomst van het christendom werd magie helaas voor deze praktijken steeds meer gelijkgesteld aan heidense afgoderij of demonologie. In de 5e eeuw veroordeelt Sint-Augustinus elke magische handeling zonder voorbehoud, met de bewering dat de wonderen van magiërs alleen van bedrieglijke demonen kunnen komen. Het vuur van de neoplatonische theürgie dooft daarom aan het einde van de oudheid geleidelijk uit, naarmate het Romeinse Rijk christianiseert en de laatste heidense scholen sluiten (de beroemde Academie van Athene sluit in 529). Toch bleven neoplatonische ideeën gedeeltelijk voortbestaan via bepaalde christelijke auteurs die de terminologie ervan overnamen (zo nam Pseudo-Dionysius de Areopagiet in de 6e eeuw de engelenhiërarchie van Proclus over). In de middeleeuwen bleef magie officieel veracht, maar de dorst om de mirabilia (de wonderen van de schepping) te begrijpen bleef bestaan in kloosters en universiteiten. In de 13e eeuw effenden twee geleerden voorzichtig de weg naar een rehabilitatie van de magia naturalis (natuurmagie), vrij van kwaadaardige bedoelingen: Albertus Magnus en Roger Bacon. Albertus Magnus onderzocht de occulte eigenschappen van planten en mineralen, op zoek naar een onderscheid tussen verborgen natuurlijke oorzaken en wat demonisch zou zijn. Roger Bacon (Doctor Mirabilis) verdedigde natuurmagie openlijk als een legitieme wetenschap en hekelde de „oneindige domheid” van zijn vakgenoten die haar afwezen. Omdat hij zich bewust was van het risico op ketterij, zorgde Bacon ervoor de natuurmagie – gebaseerd op occulte natuurkundige oorzaken – te scheiden van verboden magie die demonen aanroept. Hij stelde dat de wonderen die aan heksen werden toegeschreven in werkelijkheid slechts het resultaat waren van kunst en natuur. Door verschijnselen die als magisch werden beschouwd zo te rationaliseren (astrologie of alchemie verklaard door verborgen invloeden en onzichtbare uitwasemingen), bereidden deze denkers de weg voor een nieuwe wereldvisie waarin de studie van de geheimen van de natuur niet langer een misdaad was. Aan de vooravond van de Renaissance ontstond het idee dat een natuurmagie zonder kwaadaardige bedoelingen kon worden opgenomen in de kennis, als een vorm van experimentele wetenschap die het meest geheime van de natuur omvatte.

2. De hermetisch-neoplatonische alliantie

Het is tijdens de Italiaanse Renaissance van de 15e en 16e eeuw dat het magische neoplatonisme een schitterende heropleving beleeft. De val van Constantinopel (1453) brengt Byzantijnse geleerden ertoe vergeten Griekse manuscripten naar het Westen te brengen, waaronder de werken van Plato en zijn opvolgers. Tegelijkertijd wordt in 1460 een corpus mystieke teksten herontdekt die worden toegeschreven aan de oude Egyptische wijze Hermes Trismegistus. Deze hermetische geschriften verheerlijken de levende eenheid van de kosmos en de overeenstemming tussen de hemelse en aardse wereld – thema’s die opmerkelijk goed aansluiten bij de neoplatonische visie. De bodem is rijp voor een magistrale synthese van platonische wijsheid, hermetische esoterie en christelijk geloof.

De belangrijkste architect van deze synthese is Marsilio Ficino (1433–1499), een Florentijnse filosoof die werd beschermd door Cosimo de’ Medici. Ficino, aan het hoofd van de Platonische Academie van Florence, vertaalt Plato en Plotinus in het Latijn, maar ook het Corpus Hermeticum. Zijn ambitie is de heidense wijsheid van de „oude theologen” (hij vereert Hermes Trismegistus, Orpheus, Zarathoestra, Pythagoras, …) te verzoenen met het christendom van zijn tijd. Hij ziet de studie van de geheimen van de natuur als een daad van vroomheid tegenover de Schepper: de verborgen banden begrijpen die de Mens, de Natuur en de sterren verbinden, betekent Gods werk bewonderen en zich op de kosmos afstemmen. In zijn werk Drie boeken over het leven (1489) wijdt Ficino het volledige derde boek (De vita coelitus comparanda, „Over een leven dat met de hemel in overeenstemming is”) aan een ware theorie van de natuurmagie. Geïnspireerd door neoplatonische concepten beschrijft hij daarin een hiërarchisch universum waarin alle niveaus van het zijn – van zuivere geest tot materie – door sympathische correlaties met elkaar verbonden zijn. De Wereldziel, een emanatie van de universele ziel, verspreidt voortdurend spirituele invloeden van de sterren naar planten, metalen en edelstenen op aarde. De magiër kan, door de juiste correspondenties te kennen, de heilzame invloeden van de hemellichamen naar zich toe trekken met behulp van de „signaturen” die de natuur in de dingen heeft geplaatst. Concreet raadt Ficino aan talismannen of elixers te vervaardigen door gebruik te maken van momenten waarop de hemellichamen gunstig staan: een talisman die onder het sterrenbeeld van Jupiter is gegraveerd, kan de expansieve eigenschappen van Jupiter opvangen, terwijl een drankje bereid met „zonneplanten” (zoals de zonnebloem en de laurier, die symbolisch met de Zon verbonden zijn) de ziel zal versterken door de instroom van het zonne vuur. Om de ziel te verheffen raadt hij zelfs aan orfische hymnen voor de planeten te beluisteren of astrologisch geladen sieraden te dragen – allemaal manieren om zich af te stemmen op de harmonie van de wereld.

Hoewel hij priester is, zorgt Marsilio Ficino ervoor de „natuurmagie” te ontdoen van elke kwaadaardige connotatie: hij sluit elke aanroeping van geesten of demonen expliciet uit en benadrukt de moraliteit en zuiverheid van de magiër. Zijn magie wil een heilige wetenschap van de natuur zijn, verenigbaar met religie. Dankzij hem krijgt de astrale magie opnieuw een plaats onder de respectabele disciplines – ontdaan van grove bijgeloven en opgenomen in de natuurfilosofie van zijn tijd. Kortom, Ficino legt de grondslagen voor een christelijke, hemelse en geleerde neoplatonische magie, die de hele volgende generatie occultisten van de Renaissance zal inspireren.

Een van zijn leerlingen is een jonge, gedurfde geniale denker, Giovanni Pico della Mirandola (1463–1494). Pico, die diep onder de indruk is van Ficino, gaat nog verder in zijn esoterische syncretisme. In 1486 stelt hij, op slechts 23-jarige leeftijd, voor om publiekelijk 900 stellingen te verdedigen die alle menselijke kennis omvatten – van theologie tot magie. In deze Conclusiones en zijn beroemde Oratie over de waardigheid van de mens beweert hij dat niets wat waar is vreemd is aan het geloof: hij integreert de joodse kabbala in de neoplatonische magie, ervan overtuigd dat de traditie van Mozes en die van Plato uit dezelfde oorspronkelijke goddelijke wijsheid voortkomen. Pico verkondigt dat de magia naturalis (natuurmagie) niets anders is dan het praktische deel van de natuurfilosofie – niet alleen geoorloofd, maar ook nobel en noodzakelijk voor wie de geheimen van de Schepping wil doorgronden. Hij maakt wel onderscheid tussen twee niveaus: lagere magie, die volledig natuurlijk is (gebaseerd op occulte oorzaken, symbolen en astrale invloeden), en een hogere, goddelijke magie – die hij precies theürgie noemt – waarbij een beroep wordt gedaan op de hemelse intelligenties (de engelen). Zo erkent Pico dat de magiër door de kracht van zijn verlichte wil en geloof de hemelse machten tot zich kan roepen en zelfs opstandige geesten kan dwingen, maar uitsluitend binnen het kader van een heilige zoektocht die in overeenstemming is met God. Dergelijke uitspraken bezorgen hem moeilijkheden: beschuldigd van goddeloosheid moet Pico een tijdlang uit Italië vluchten. Zijn meest radicale stellingen worden in 1487 door de Kerk veroordeeld. Niettemin is zijn intellectuele invloed enorm: door te durven verklaren dat „het edelste deel van de natuurfilosofie magie is” en dat zij de waarheden van het geloof bevestigt, legitimeert Pico de studie van het occulte in het hart van het christelijke neoplatonisme. Hij aarzelt niet te schrijven dat „geen enkele wetenschap ons meer zekerheid over de goddelijkheid van Christus geeft dan magie en de Kabbala”, en verbindt zo op provocerende wijze esoterie en theologie. Volgens hem komt alle kennis – of zij nu afkomstig is van Zarathoestra, Orpheus, Pythagoras of de Hebreeuwse Kabbala – samen in hetzelfde licht, en bezit de Mens de waardigheid om de lessen ervan te synthetiseren en zich in harmonie met de engelen te verheffen.

Ficino en Pico della Mirandola hebben een vuur ontstoken dat het hele ontwikkelde Europa van de 16e eeuw in vlam zal zetten. Overal nemen geleerden, vrome christenen, het vaandel van de magia naturalis over. We kunnen Giambattista della Porta in Napels noemen, Henri Cornelius Agrippa in Duitsland, Paracelsus in Zwitserland, John Dee in Engeland, Girolamo Cardano en Giulio Cesare Vanini in Italië, Robert Fludd en vele anderen – zonder de dominicaan Giordano Bruno te vergeten, die in 1600 voor zijn hermetisch-copernicaanse ideeën werd gemarteld. Al deze aanhangers delen de overtuiging die zij van Ficino en Pico hebben geërfd: goed begrepen is natuurmagie niets anders dan een diepgaande wetenschap van de geheimen van de Natuur – „de hoogste kracht van de natuurwetenschappen”, volgens Agrippa. Zij proberen de theoretische grondslagen ervan te verduidelijken en de praktijken ervan te codificeren, terwijl zij de harmonie ervan met het christelijke geloof verkondigen. In 1531 publiceert Agrippa zijn verhandeling De occulta philosophia, een ware samenvatting van de occulte filosofie, waarin hij 2000 jaar esoterische kennis (astrologie, kabbala, alchemie en talismanmagie) binnen een neoplatonisch kader synthetiseert. Paracelsus, arts en alchemist, ontwikkelt een wereldbeeld waarin hemellichamen, geesten en subtiele energieën de gezondheid van het menselijk lichaam sturen – waarbij hij het motto „macrocosmos en microcosmos” op de geneeskunde toepast. Giordano Bruno ziet, bezield door de oneindigheid van het universum, in elke ster een zon met planeten en levende wezens: hij combineert magisch neoplatonisme met de opkomende copernicaanse kosmologie. Bruno onderwees de theorie van Copernicus bovendien in Engeland, waarbij hij zich op Ficino baseerde – tijdens een lezing in Oxford citeerde hij uitvoerig uit De vita coelitus comparanda om zijn toehoorders ervan te overtuigen dat het heliocentrisme paste binnen een mystieke visie op de kosmos. We weten ook dat Nicolaus Copernicus zelf, hoewel in de eerste plaats wiskundige, zijn ontdekking van de beweging van de aarde voorstelde als het resultaat van een contemplatie van de Schepping – hierin beïnvloed door het neoplatonische en hermetische idee van een „religie van de kosmos”, volgens welke het ontdekken van de orde van de wereld een manier was om God te eren.

Meer dan een eeuw na Ficino belichaamt een geleerde als Della Porta (1535–1615) de voltooiing van deze traditie en de overgang naar de wetenschappelijke geest. In zijn werk Magia naturalis (1558, uitgebreid in 1589) verzamelt Della Porta honderden experimenten en recepten waarin optica, botanie, mineralogie, mechanica en astrologie samenkomen. Hij verdedigt zich tegen het verwijt een tovenaar te zijn: hij sluit elke bezwering of elk pact uit en wil eenvoudig de verborgen natuurlijke oorzaken achter de wonderen onthullen. Toch beroept hij zich, wanneer hij uitlegt waarom een bepaald kruid een bepaald orgaan geneest, nog steeds op „occulte eigenschappen” van hemelse oorsprong die door de hemellichamen in de planten zijn ingeblazen. Della Porta neemt inderdaad het Ficiniaans-neoplatonische schema over: een wereldorde die afdaalt van God naar de engelen, de zielen, de sterren en de verborgen deugden in de materie. Voor hem is de natuurmagiër als een boer van het universum: hij bereidt de „aarde” (de materie) voor, zodat de Natuur haar wonderbaarlijke vruchten kan voortbrengen – hij schendt de goddelijke wetten niet, maar werkt ermee samen. Deze visie laat zien hoe vaag de grens tussen magie en wetenschap aan het begin van de moderne wetenschap was: men zocht naar verklaringen, maar gaf de verwondering niet op. Ook Kepler, de grote astronoom van de 17e eeuw, was bij tijd en wijle astroloog en zag muzikale planetaire harmonieën in de beweging van de hemellichamen. Zo vormde het magische neoplatonisme tot aan de Wetenschappelijke Revolutie een brug tussen de oude esoterische kennis en de nieuwe wetenschap in wording.

3. Een hiërarchische kosmos van symbolische correspondenties

Het neoplatonische denken, geërfd van Plotinus en zijn latere opvolgers, stelt een werkelijkheid voor die voortkomt uit een hoogste beginsel, het Ene (geïdentificeerd met het Goede of met God). Uit dit eerste beginsel komt een hele reeks tussenschakels voort: eerst de goddelijke Intelligenties (of engelen en demonen in de neutrale betekenis die de Ouden eraan gaven), vervolgens de Wereldziel, daarna de hemellichamen en ten slotte de materiële elementen. Elk niveau van het zijn weerspiegelt het voorafgaande en beïnvloedt het daaropvolgende, waardoor een ononderbroken „grote keten van het Zijn” ontstaat, van God tot aan de materie. Renaissancefilosofen als Ficino en Pico herinterpreteerden dit kader in christelijke termen: volgens hen beschrijft deze universele hiërarchie van platonische oorsprong in werkelijkheid het plan van de goddelijke Schepping, van het engelenkoor van de serafijnen tot de vier aardse elementen. Natuurmagie vindt haar legitimiteit in dit paradigma: zij wil de mechanismen bestuderen en gebruiken waardoor spirituele invloeden uit de hemel naar de aarde afdalen.

Het sleutelbegrip van deze esoterie is dat van de symbolische correspondentie tussen het Hoge en het Lage. De beroemde hermetische formule uit de Smaragden Tafel„Wat beneden is, is zoals wat boven is, en wat boven is, is zoals wat beneden is” – vat deze wet van universele analogie samen. Met andere woorden: de macrocosmos (het Universum) en de microcosmos (de Mens) zijn naar elkaars beeld opgebouwd: de mens is een kleine wereld in het klein, een weerspiegeling van de grote wereld. Elke fysieke werkelijkheid heeft zo verwantschappen met een hogere metafysische werkelijkheid. De Zon wordt geassocieerd met goud, het hart, de adelaar, de leeuw, de kleur rood en de godheid Apollo – allemaal ogenschijnlijk verschillende dingen, maar vibrerend op dezelfde symbolische „golflengte” vanwege de kosmische orde. Door deze correspondenties te beheersen kan de magiër veranderingen teweegbrengen door met analogieën te werken: een orgaan genezen door er een plant op toe te passen die er symbolisch mee overeenstemt, of de invloed van een planeet aantrekken door een ritueel dat haar energie nabootst. „Wat boven is” (de hemellichamen, ideeën en hemelse archetypen) manifesteert zich „zoals wat beneden is” (de planten, stenen en metalen)>. Zo dient een talisman die met een bepaald metaal en een bepaalde gravure onder de auspiciën van een specifieke constellatie is vervaardigd, als ontvanger van de invloeden van die constellatie. Evenzo kan een gebed dat in de juiste heilige taal wordt gezongen de deugd van een planetaire aartsengel aanroepen, terwijl een kabbalistische formule die goddelijke namen hanteert, op tussenliggende engelen of demonen kan inwerken. De wereld is een groot netwerk van sympathieën: „het universum is een geheel van tekens en symbolen”, zou een esotericus later schrijven, en de magiër is degene die ze kan ontcijferen.

Deze visie op de kosmos gaat gepaard met een sterke poëtische en symbolische lading. Elk natuurverschijnsel krijgt er een spirituele betekenis. De baan van de planeten is de taal waarmee God tot de mensen spreekt; de groei van planten is een geheime schriftuur die in de Schepping is achtergelaten. Magisch neoplatonisme is daarom onlosmakelijk verbonden met een symbolische lezing van de wereld. Het metaal goud is niet slechts een chemisch element – het is de aardse belichaming van het zonlicht en „correspondeert” door zijn onvergankelijke glans met de Zon. Evenzo is het menselijk hart meer dan een orgaan: het is de zon van de microcosmos, het levenscentrum dat analoog is aan de Zon aan de hemel. Een dergelijk denksysteem verenigt materie en geest tot een samenhangend geheel: het zichtbare is de spiegel van het onzichtbare. Daarom hecht de beoefenaar van de neoplatonische magie zoveel belang aan symbolen, zegels en signaturen: een passend symbool graveren betekent dat men een specifieke spirituele invloed in een klein materieel voorwerp concentreert. Agrippa legt bijvoorbeeld uit dat men door een zegel van Jupiter te graveren onder een constellatie van Jupiter, met de bijbehorende symbolen, de joviale invloed kan „vangen” om voorspoed en gezondheid aan te trekken. Uiteraard vereisen dergelijke correspondentiemethoden een innerlijke voorbereiding: men dacht destijds dat de magiër zelf in een toestand van zuiverheid en vurigheid moest verkeren om als kanaal voor de hemelse krachten te dienen. Neoplatonische magie is zowel een morele en spirituele discipline (die de ziel naar de goddelijke intelligenties verheft) als een operatieve techniek. Ficino benadrukte dat de magiër-filosoof deugd en wijsheid moest cultiveren, en Bruno zou later verkondigen dat de verbeelding en de wil van de magiër – gezuiverd van elke ondeugd – de ware drijvende krachten achter wonderen zijn.

4. Erfenis en betekenis

Het magische neoplatonisme verschijnt, achteraf bezien, als veel meer dan een verzameling occulte praktijken of achterhaalde mythen. In zijn tijd vormde het een ware operatieve natuurfilosofie, dat wil zeggen een samenhangende manier om de natuur te begrijpen en erop in te werken, gebaseerd op zowel de oude erfenis als ervaring. Van de mythische oudheid (met het beeld van Egyptische priesters die over heilige wijsheid beschikten) tot de geleerden van de Renaissance, via de alchemisten van de middeleeuwen, loopt een rode draad: actieve verwondering over de Natuur. De neoplatonische denkers en magiërs weigerden de natuurlijke wereld te zien als een inerte en profane massa – voor hen was zij bezield door geest, doorkruist door goddelijke tekens en waardig om met zowel eerbied als durf te worden bestudeerd. Hun speculaties over de Wereldziel, hun met symbolen gegraveerde talismannen, hun distillaties au bain-marie en hun astrologische berekeningen waren geen uitingen van blind bijgeloof, maar vormden een ambitieus systeem dat de Schepping wilde ontcijferen en de verborgen wetten van het universum wilde doorgronden.

Door deze traditie te eren, beseffen we dat zij een van de voedingsbodems van de moderne wetenschappelijke revolutie is geweest. Door de wonderbaarlijke verschijnselen van de natuur te willen begrijpen en beheersen, brachten de aanhangers van de magia naturalis geleidelijk het idee bij dat de natuur wetten gehoorzaamt – weliswaar subtiele, maar begrijpelijke wetten – en dat de mens hun uitlegger en zelfs hun meester kan worden. Veel pioniers van de wetenschap (bijvoorbeeld Kepler, en later Newton) werden gevoed door hermetisch-neoplatonische geschriften, die hen aanmoedigden orde en wiskundige harmonie in de kosmos te zoeken. Paradoxaal genoeg legden deze denkers, door de magie van de natuur te willen bewijzen, de basis voor de wetenschappelijke methode: zij zochten oorzaken voor wat magisch leek om het verklaarbaar te maken. Zoals Pico della Mirandola stelde, ligt de waardigheid van de Mens in zijn vermogen om de totaliteit van de Schepping met zijn geest te omvatten, van de laagste materiële werkelijkheden tot de hoogste hemelse waarheden. Neoplatonische magie was een uitdrukking van deze prometheïsche dorst naar totale kennis, die geloof, rede en verbeelding in één enkele zoektocht wilde verenigen.

Ook vandaag nog treft bij het lezen van de geschriften van Ficino, Agrippa of Fludd de moderniteit van hun ambitie: de wereld diepgaand begrijpen zonder het wonderbaarlijke uit te sluiten. Ver verwijderd van de clichés van duisternis en grimoires verschijnt het magische neoplatonisme als een rijk hoofdstuk uit de geschiedenis van het denken, waarin wetenschap en poëzie, religie en filosofie met elkaar verweven zijn. Het illustreert een vurige tijd waarin kennis de betovering van de wereld niet verdreef, maar haar juist versterkte door de geheime harmonie van het Universum bloot te leggen. In die zin blijft het liefhebbers van occulte wijsheid inspireren: achter de symbolen wordt ons een unitaire en heilige visie op de kosmos nagelaten, een spirituele erfenis waarin de Mens, als microcosmos, zichzelf ontdekt als zowel burger als magiër van het Grote Geheel, van het grote Ene.


Bronnen:

  • Plotinus – De Enneaden: grondslag van het neoplatonische denken, waarin het idee van het Ene en de emanatie van de ziel naar de hogere sferen wordt uiteengezet.

  • Iamblichus – Over de Egyptische Mysteriën (De Mysteriis): centrale verhandeling over theürgie, waarin rituele magie wordt verdedigd als weg naar het goddelijke.

  • Proclus – Elementen van de theologie en commentaren op de Chaldeeuwse Orakelen: filosofisch en mystiek synthese-werk, van invloed op christelijke en renaissancistische denkers.

  • Marsilio Ficino – De vita libri tres (1489): in het bijzonder boek III (De vita coelitus comparanda), grondslag van de astrale magie tijdens de Renaissance.

  • Giovanni Pico della Mirandola – Conclusiones philosophicae, cabalisticae et theologicae (1486): intellectueel manifest waarin kabbala, magie en neoplatonisme vanuit een christelijk perspectief worden geïntegreerd.

  • Henri-Cornelius Agrippa – De occulta philosophia libri tres (1531): belangrijk werk over de renaissance-occulte filosofie, een hermetische en neoplatonische synthese.

  • Giambattista Della Porta – Magia naturalis (1558, uitgebreide editie 1589): encyclopedie van natuurlijke wonderen, gebaseerd op natuurmagie en occulte eigenschappen.

  • Francis Yates – Giordano Bruno and the Hermetic Tradition (1964): essentiële historische studie over het hermetisch-neoplatonische denken tijdens de Renaissance.

  • Alexandrine Schniewind – De neoplatonisten (Seuil, 2003): heldere en grondige inleiding tot de belangrijkste neoplatonische denkers uit de oudheid.

  • Silvia Lippi – „‘Wetenschappelijke’ magie tijdens de Renaissance: een paradox?”, in Cliniques méditerranéennes, 2012: artikel over het samengaan van wetenschap en magie in het neoplatonische denken.

Reactie plaatsen

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd..

Word lid van de Aeternum-community op onze Facebookgroep: tips, trucs, rituelen, kennis, producten in een vriendelijke sfeer!
Ik ga ervoor!
Winkelwagen 0

Je winkelwagen wacht op je.

Begin met winkelen