Meteen naar de content
AeternumAeternum
Thessalië, land van Griekse en Romeinse magie

Thessalië, land van Griekse en Romeinse magie

In het noorden van Griekenland strekt Thessalië zich uit: een uitgestrekte vlakte omringd door bergen, bakermat van mythische helden… en in de antieke verbeelding een belangrijk centrum van hekserij. Vanaf de klassieke oudheid kenden de Grieken en later de Romeinen deze vruchtbare streek een bijzondere reputatie toe: die van een land waar geduchte magiërinnen werkzaam waren, in staat tot buitengewone bezweringen. Van de mythische Medea tot de heksen die door Latijnse dichters worden genoemd, Thessalië groeide uit tot het land van betoveringen en occulte praktijken. Reis mee.

Het ontstaan van een magische reputatie in Thessalië

De reputatie van Thessalië als land van magie verschijnt al in bronnen uit de 5e eeuw v.Chr. Aristophanes verwijst er in zijn komedie De Wolken (423 v.Chr.) met humor naar: een personage dat diep in de schulden zit, stelt voor om « een Thessalische magiërin te kopen » om de Maan uit de hemel te laten neerdalen en haar gevangen te houden, in de hoop zo de loop van de tijd stil te zetten en geen rente meer te hoeven betalen. De Thessalische verschijnt hier als een professionele heks, vertrouwd met de krachten van de Maan. Enkele decennia later, rond 380 v.Chr., getuigt ook Plato van dit volksgeloof in een passage uit de Gorgias. Hij vergelijkt de morele compromissen van het politieke leven met de angstaanjagende gevolgen van Thessalische bezweringen: « uit vrees dat ons […] hetzelfde zou overkomen als de Thessalische vrouwen, wanneer zij er, naar men zegt, in slagen de Maan te laten neerdalen». De filosoof bevestigt daarmee dat men volgens hem in het algemeen aan de vrouwen van Thessalië de bovennatuurlijke macht toeschreef om het nachtelijke hemellichaam te beïnvloeden.

Dit idee van in Thessalië gewortelde maanhekserij berust waarschijnlijk niet op toeval. Antieke auteurs opperden dat de streek oude culten herbergde die met magie verbonden waren: de godin Hecate, meesteres van de Maan en van nachtelijke betoveringen, zou er bijzonder vereerd zijn. Hoe dan ook, al in de klassieke oudheid werd de Thessalische magiërin een archetypisch personage. Haar naam werd zelfs synoniem met de heks bij uitstek, zodat een Latijnse auteur later kon spreken over « Thessalische wonderen » om magische gebeurtenissen aan te duiden. Schrijvers plaatsen de meest spectaculaire occulte daden regelmatig in Thessalië. Zodra een reiziger of held Thessalië binnengaat, wordt ter plaatse de gevaarlijke en fascinerende specialiteit geroemd die voor de helft van de reputatie van de streek verantwoordelijk is. Met andere woorden: in de geest van de Ouden was Thessalië het land van heksen en magische rituelen geworden.

Thessalische heksen en magiërinnen

Verschillende mythologische en legendarische verhalen hebben bijgedragen aan het beeld van Thessalië als « land van hekserij ». Een van de eerste grote magiërinnen uit de Griekse mythologie, Medea, treedt juist in Thessalië op. Medea kwam vanuit het Oosten met Jason en de Argonauten en verbleef in Iolkos (in Thessalië), waar haar occulte kennis het lot van koning Pelias zou veranderen. De heks uit Colchis verrichtte er inderdaad verontrustende wonderen: ze verjongde Jasons vader door hem samen met betoverde kruiden in een ketel te koken en misleidde vervolgens de dochters van Pelias door hen ervan te overtuigen hun vader in stukken te snijden, in de hoop hem weer jong te maken. Deze moord door magische list, gepleegd op Thessalische bodem, verankerde in de plaatselijke mythologie het idee van een angstaanjagende occulte macht. Medea belichaamt voortaan de figuur van de heks die liefdesdranken en vergif kan bereiden, fabelachtige wezens kan temmen en met haar kunsten leven en dood kan manipuleren. Naast haar worden andere mythische vrouwelijke personages, zoals Circe (de magiërin die de metgezellen van Odysseus betoverde), als contrast genoemd – maar Circe handelt op haar afgelegen eiland, terwijl Medea daadwerkelijk in Thessalië optreedt en deze streek een prominente plaats geeft in de mythische geografie van de magie.

Naast de mythen verspreidden de Griekse en later Latijnse literatuur het beeld van de Thessalische heksen op grote schaal en verrijkten ze hun portret met opvallende details. Al in de hellenistische poëzie werden aan deze magiërinnen angstaanjagende rituelen toegeschreven. Een fragment dat aan de historicus Aglaosthenes (of aan een latere auteur) wordt toegeschreven, vermeldde bijvoorbeeld dat de heksen van Thessalië de Maan uit de hemel konden laten neerdalen in ruil voor een gruwelijk offer – waarbij ze het kostbaarste wat ze bezaten verloren, zoals een kind of zelfs een van hun ogen, als prijs voor deze macht. Het idee dat magie een hoge prijs had, versterkte de sinistere uitstraling van deze vrouwen. In dezelfde geest vertelt de legende van Aglaonice van Thessalië, een priesteres en astronome uit de 3e eeuw v.Chr., dat zij maansverduisteringen voorspelde en beweerde dat ze die door haar gezangen veroorzaakte. Haar tijdgenoten zeiden dat Aglaonice « de Maan met haar magische bezweringen van de hemel losmaakte» en merkten op dat telkens wanneer zij dit huzarenstuk verrichtte, een ongeluk haar familie trof. Hier vermengt de werkelijkheid (de wetenschappelijke voorspelling van verduisteringen) zich met het geloof: de geleerde werd gezien als een magiërin die het nachtelijke hemellichaam kon onderwerpen, geheel volgens het Thessalische stereotype.

Latijnse auteurs uit het einde van de Republiek en het begin van het Keizerrijk namen deze motieven over en versterkten ze, waardoor de Thessalische heks een terugkerend personage in hun werken werd. Propertius, een elegisch dichter uit de 1e eeuw v.Chr., opent zijn Boek I met een verwijzing naar de betoverende greep van de liefde en zinspeelt op Thessalische betoveringen. De fictieve minnaar is machteloos tegenover zijn passie en vraagt zich uiteindelijk af « welke heks, welke magiër [hem] met Thessalische liefdesdranken zou kunnen bevrijden ». Deze passage getuigt ervan dat de liefdesdranken van Thessalië – dus de uit dit land afkomstige brouwsels en bezweringen – als de doeltreffendste middelen voor liefdesbetovering werden beschouwd. Ook in zijn Amores en Remedia Amoris strooit Ovidius kwistig met toespelingen op Thessalische hekserij. Soms beweert de dichter dat een saga Thessala (een heks uit Thessalië) een betovering kan hebben uitgesproken die verantwoordelijk was voor zijn tijdelijke onvermogen in de liefde; soms raadt hij zijn lezers af hun toevlucht te nemen tot schadelijke kruiden en magische kunsten uit Thessalische streken, praktijken die volgens hem achterhaald zijn. « Dit is de oude manier om hekserij te beoefenen », schrijft Ovidius over deze occulte remedies, voordat hij de lezer rationelere middelen aanreikt om een gebroken hart te genezen. Met deze toespelingen bevestigt de Latijnse schrijver dat Thessalië in de geest van zijn publiek rijmde met liefdesmagie, vergif en betoveringen.

Het is echter in de Romeinse poëzie en satire dat de Thessalische heks haar volledige omvang krijgt, vaak in de gedaante van een oude vrouw die bedreven is in zwarte kunsten. Horatius voert in zijn Epoden (rond 30 v.Chr.) de angstaanjagende Canidia en haar metgezellen op, terwijl zij macabere bezweringen voorbereiden. Hoewel deze heksen in Rome optreden, verbindt Horatius hen uitdrukkelijk met occulte kennis uit Thessalië. Zo wordt in Epos 5 de heks Folia, medeplichtige van Canidia, voorgesteld als een intrigante die de hemellichamen kan laten neerstorten: « met een Thessalisch woord zou [zij] Maan en Zon uit onze hemel laten vallen ». De uitdrukking « Thessalisch woord » duidt hier op een uit Thessalië afkomstige magische formule, krachtig genoeg om de hemellichamen van het firmament los te rukken. Horatius suggereert daarmee dat deze Italiaanse heksen hun kennis ontlenen aan de oude magische tradities van Thessalië. Elders, wanneer hij in algemene zin bijgeloof bespreekt, raadt dezelfde dichter de wijze aan te lachen om alles wat het gewone volk angst aanjaagt: dromen, magische angsten, nachtelijke geesten en « Thessalische wonderen ». Thessalische hekserij was voor Horatius en zijn lezers een synoniem geworden voor angstaanjagende bezweringen.

Ook de prozaverhalen uit de keizertijd benutten dit motief. In de 1e eeuw n.Chr. situeert de dichter Lucanus een van de meest indrukwekkende scènes uit zijn Pharsalia (een epos over de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius) in Thessalië. In boek VI raadpleegt de jonge Sextus Pompeius de heks Erichtho in de vlakten van Pharsalus, aan de vooravond van de grote veldslag. Lucanus schetst een afschuwelijk portret van deze Thessalische magiërin: ze is een verwilderde oude vrouw die tussen de graven leeft, zich voedt met dood vlees en lijken ontheiligt voor haar rituelen. Haar bezweringen keren de orde van de natuur om: « Op de stem van een Thessalische worden de wetten van de natuur onderbroken: de aarde bedekt zich met overstromingen, de zon verduistert en de hemel dondert zonder dat Jupiter het merkt ». Erichtho beoefent onder meer necromantie: Lucanus toont hoe ze nog warm bloed van een overleden soldaat verzamelt om daarmee een lijk in te wrijven en het weer tot leven te wekken – de uit de Onderwereld teruggeroepen geest voorspelt vervolgens de noodlottige afloop van de veldslag. Deze macabere hekserscène, gesitueerd op Thessalische bodem zelf, maakte grote indruk op de Romeinse lezers. Na Lucanus zou men een Thessalische heks nooit meer kunnen noemen zonder aan deze afstotelijke figuur te denken, die de doden kon laten spreken en de loop van de hemellichamen kon stilzetten.

Thessalië vormt ook het decor van de Latijnse roman De Gedaanteverwisselingen (of De gouden ezel) van Apuleius (2e eeuw n.Chr.), die grotendeels draait om het thema magie. De held, Lucius, is een jonge Griek die gefascineerd is door betoveringen: « wetend dat hij zich in het hart van Thessalië bevond, de bakermat van de magische kunsten waarvan de machtige bezweringen over de hele wereld worden geroemd », verlangt hij ernaar hun geheimen te doorgronden. Al snel raakt hij betrokken bij de misdaden van geduchte Thessalische heksen. Eerst stelt Apuleius de heks Meroë voor, die een ongelukkige reiziger aanvalt: ze tapt tijdens zijn slaap al zijn bloed af en laat hem stervend achter, waarmee ze een angstaanjagende kwaadaardige macht toont. Verderop onthult de magiërin Pamphile, bij wie Lucius onderdak vindt, de omvang van de plaatselijke hekserij. Iedere nacht verandert Pamphile zichzelf in een uil door zich met een magische zalf in te wrijven, om haar minnaar te bezoeken. Wanneer Lucius haar betrapt, wekt ze een gevaarlijke nieuwsgierigheid in hem. De jongeman probeert op zijn beurt van gedaante te wisselen, maar door een vergissing verandert hij in een ezel – een picareske tegenslag die de roman zijn charme geeft. In de loop van het verhaal stapelt Apuleius de episodes op waarin Thessalische occulte praktijken voorkomen: het oproepen van de geesten van de doden, liefdeselixers, het uit wraak veranderen van mensen in dieren of steen, nachtelijke vluchten door de lucht,… De auteur benadrukt dat Thessalië werd beschouwd als « de bakermat van de magische kunsten », de ideale plek om [de] nieuwsgierigheid van zijn held naar hekserij te bevredigen.

Opmerkelijk is dat ook een eerdere Griekse versie van dezelfde roman zich in Thessalië afspeelt, toegeschreven aan Lucianus van Samosata (Lucius of De ezel, 2e eeuw). Dit satirische verhaal, dat sterk lijkt op dat van Apuleius, voert een held op die in een ezel verandert nadat hij de bezweringen van een Thessalische heeft bespied. Of het werkelijk om Lucianus gaat of om een andere auteur, de keuze voor Thessalië als decor berust niet op toeval: in de 3e eeuw van onze jaartelling wist iedere lezer dat deze streek « over de hele wereld bekendstond als de bakermat van de magische kunsten en betoveringen ». Lucianus drijft in andere werken bovendien de spot met goedgelovigheid tegenover magie en « wonderdoeners ». Het feit dat hij dit verhaal over gedaanteverwisseling in Thessalië situeert, bevestigt nogmaals de onverbrekelijke band tussen dit land en hekserij in de antieke verbeelding. Vanaf dat moment was de mythe van de Thessalische heksen stevig gevestigd, met haar markante figuren (van Medea tot Erichtho) en terugkerende thema’s: maanbezweringen, liefdesdranken, vergif, necromantie, gedaanteverwisselingen… De Grieks-Romeinse oudheid liet het nageslacht zo een rijk beeld van magie na, waarin Thessalië een bevoorrechte plaats inneemt.

De blijvende aantrekkingskracht van een esoterisch beeld

Het krachtige beeld van de Thessalische heksen verdween niet met het einde van de oudheid: het heeft door de eeuwen heen standgehouden in de westerse geleerdheid en esoterische verbeelding. In de middeleeuwen versmolt de figuur van de antieke magiërin gedeeltelijk met die van de gedemoniseerde middeleeuwse heks, maar geleerden vergaten de klassieke verhalen niet. Tijdens de Renaissance brachten vertalingen en commentaren van antieke auteurs deze Thessalische betoveraarsters opnieuw onder de aandacht. Humanisten en demonologen uit de 16e eeuw verwezen, terwijl ze de hekserijpraktijken van hun eigen tijd aan de kaak stelden, graag naar Griekse en Romeinse voorbeelden: Medea, Circe of de Thessalische vrouwen die de Maan konden laten neerdalen werden genoemd als mythische voorlopers van eigentijdse kwaadaardige magie. Kunstenaars en dichters uit de Renaissance en de barok putten eveneens uit deze beeldenschat: heksen werden afgebeeld rond een magische ketel onder de volle maan, en er werd verwezen naar liefdesfilters en vergif die uit Thessalië afkomstig waren. Montague Summers, een geleerde uit het begin van de 20e eeuw, schrijft dat in de ogen van de oude Grieken « de Thessalische dames meer dan enig ander volk bekendstonden als deskundig in hekserij en betoveringen ». Deze opmerking, afkomstig uit een werk uit 1927, toont dat de traditie nog altijd levendig was in de verbeelding. Talrijke esoterische auteurs uit de 19e en 20e eeuw hielden de mystieke uitstraling van Thessalië dan ook in stand. De oude uitdrukking « de Maan van de hemel plukken », rechtstreeks geërfd van de Thessalische heksen die het nachtelijke hemellichaam naar zich toe konden trekken, is in het dagelijks taalgebruik terechtgekomen als aanduiding voor een onmogelijke onderneming – een teken van de blijvende culturele herinnering aan deze mythen. Bovendien hebben sommige moderne neopaganistische stromingen, zoals Wicca, het ritueel van « de Maan laten neerdalen » symbolisch opnieuw gebruikt in hun praktijken, met een expliciete verwijzing naar de betoveraarsters van Thessalië.


Het oude magische Thessalië is de verbeelding nooit helemaal ontgroeid. Van auteurs uit de oudheid tot moderne occultisten: steeds opnieuw werden de buitengewone krachten die aan zijn heksen werden toegeschreven bezongen – of gevreesd. De Thessalische vlakten, het land van paarden en centauren, waren dankzij de literatuur ook het domein van vrouwen met liefdesdranken en bezweringen. Deze legendarische voorstelling, geboren uit de angsten en fantasieën van het klassieke Griekenland, heeft de eeuwen doorstaan. Ze herinnert ons eraan hoe een streek door de kracht van verhalen het bevoorrechte toneel van het onzichtbare en wonderbaarlijke kan worden. Thessalië als land van magie blijft zo een fascinerend erfgoed van de antieke cultuur, dat eeuwen van poëzie, mythen en esoterische overtuigingen heeft gevoed.


Bronnen:

  • Aristophanes – De Wolken (423 v.Chr.), v. 749-755 (toespeling op Thessalische magiërinnen en het « neerdalen » van de Maan).

  • Plato – Gorgias (rond 380 v.Chr.), 513a (spreekwoordelijke vermelding van Thessalische vrouwen die de Maan laten neerdalen).

  • Propertius – Elegieën, I, 1 (verwijzing naar Thessalische liefdesdranken om liefdesverdriet te genezen).

  • Horatius – Epoden, V en XVII (de heksen Canidia en Folia, gebruik van Thessalische betoveringen).

  • Ovidius – Amores en Remedia Amoris (verwijzingen naar Thessalische heksen en kritiek op oude magische praktijken).

  • Lucanus – Pharsalia, VI (portret van Erichtho de Thessalische en necromantie vóór Pharsalus).

  • Apuleius – De Gedaanteverwisselingen of De gouden ezel (2e eeuw n.Chr.), boeken I-III (avonturen van Lucius met Meroë en Pamphile in Thessalië, gedaanteverwisselingen enz.).

  • (Pseudo-)Lucianus van Samosata – Lucius of De ezel (2e eeuw n.Chr.), Griekse roman toegeschreven aan Lucianus (dezelfde verhaallijn als bij Apuleius, met nadruk op de traditie van de Thessalische heksen).

  • Jacques Cazeaux – « Het Thessalië van de magiërinnen », in Thessalië (Verslag van de rondetafelconferentie van Lyon, 1975), 1979. Historische studie over het ontstaan van de mythe van de Thessalische heks.

  • Brian Clark – The Witches of Thessaly (paper, jaren 2000). Analyse van de reputatie van Thessalië als centrum van hekserij in de oudheid en daarna.

  • Montague Summers – The Geography of Witchcraft, Kegan Paul, 1927. Een (gedateerd) werk over de traditie van Thessalische heksen in de westerse cultuur.

1 reactie Thessalië, land van Griekse en Romeinse magie
  • Patricia T
    Patricia T

    Bonjour Olivier,

    Histoire très passionnante que je ne connaissais pas et même pas lu. Une chose je sais que la Grèce Antique est remplie d’histoires passionnantes et profondes.
    J’ai une question par rapport au Thessalie.
    N’y a-t-il pas une colération avec les Thessalonitiens écrit dans la Bible ? J’entends toujours parler des Thessalonites. 🤔😊🙏
    Merci Olivier

    26 april 2026
Reactie plaatsen

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd..

Word lid van de Aeternum-community op onze Facebookgroep: tips, trucs, rituelen, kennis, producten in een vriendelijke sfeer!
Ik ga ervoor!
Winkelwagen 0

Je winkelwagen wacht op je.

Begin met winkelen
Betalen in 3/4 termijnen zonder kosten