| Wetenschappelijke naam | Filipendula ulmaria |
| Uiterlijk | Slanke vaste plant, met roodachtige stengels, geveerde donkergroene bladeren boven en witachtig onder, grote crèmekleurige bloeiwijzen bestaande uit vele kleine, donzige bloemen |
| Geur | Aromatisch, zacht en licht amandelachtig met een hint van honing of vanille |
| Kleur | Donkergroen (blad), crèmewit tot bleekgeel (bloemen) |
| Gebruikte delen | Bloemtoppen, soms de bladeren |
| Oorsprong | Europa, gematigd Azië, vochtige gebieden en weiden |
| Toxiciteitsniveau | Zwak (te vermijden bij allergie voor salicylaten of bij gebruik van anticoagulantia) |






















































































































































































































