| Wetenschappelijke naam | Guaiacum officinale |
| Uiterlijk | Zeer dicht en hard hout, met fijne nerf, vaak aangeboden in schaafsel of kleine blokken |
| Geur | Harsachtig, zacht en houtachtig, met een warme en licht kruidige noot |
| Kleur | Donkerbruin tot groenachtig afhankelijk van oxidatie, soms met blauwachtige glans |
| Gebruikte delen | Hout, hars, zaagsel |
| Oorsprong | Antillen, Midden-Amerika, noordelijk Zuid-Amerika |
| Toxiciteitsniveau | Laag (goed verdragen bij uitwendig gebruik of verbranding; inname wordt afgeraden buiten medisch kader) |

















