| Wetenschappelijke naam | Juniperus communis L. |
|---|---|
| Uiterlijk | Kleine, vlezige kegels met een ronde vorm en een glad of licht gerimpeld oppervlak, die doorgaans drie zaden bevatten. Aan de top bevindt zich een merkteken dat ontstaat door het samenkomen van de schubben |
| Geur | Harsachtig, houtachtig, fris en aromatisch, met tonen van den |
| Kleur | Bij rijpheid blauwzwart tot donkerpaars, na het drogen paarsbruin tot zwart, met een dunne, lichte wasachtige laag |
| Gebruikte delen | Rijpe en gedroogde bessen, heel, gekneusd of tot poeder vermalen |
| Oorsprong | Gematigde en subarctische gebieden van het noordelijk halfrond, met name Europa, Noord-Afrika, Azië en Noord-Amerika |
| Toxiciteitsniveau | Laag bij culinaire hoeveelheden. Overmatig of langdurig gebruik kan de nieren en urinewegen irriteren. Inwendig gebruik wordt afgeraden tijdens de zwangerschap, de borstvoedingsperiode en bij nierziekte. Niet verwarren met de vruchten van andere jeneverbessoorten, die giftig kunnen zijn |

















